Dit jaar staan de soorten in het teken van de kraaiachtigen. In juli is de kijker gericht op de roek.

Binnen het jaarthema worden de vier zwartgekleurde soorten kraaiachtigen belicht die we in Nederland kennen; namelijk de kauw, zwarte kraai, roek en raaf. In juli wordt er aandacht besteed aan de roeken.

Waar veel mensen zwarte kraaiachtigen als de roek al snel een (zwarte) kraai noemen, is het toch echt een andere soort. Ze zijn ongeveer even groot, maar de roek is meestal goed te herkennen aan een lichtgrijs begin van de snavel. Op die plek gaat de kop van de roek vrij steil omhoog, waardoor ze een soort puntige bovenkant van de kop hebben, terwijl de zwarte kraai een ronder hoofd heeft. Ook valt het soms op dat de veren rondom de poten wat afhangen, waardoor het lijkt alsof de roek een soort broek aan heeft. Als ze over de grond lopen, ziet hun loop er wat stijf uit. De roep lijkt ook best veel op een roep van zwarte kraaien, maar is nasaler.

Roeken broeden in kolonies met soms wel honderden roeken bij elkaar. Die kolonies komen vaak voor in hoge bomen in dorpen en ook rondom tankstations langs snelwegen. Ze broeden bijna alleen in de oostelijke helft van het land, in het westen van Nederland zijn roeken juist heel schaars. Roeken zoeken hun voedsel hoofdzakelijk op de grond. Ze zijn dan op zoek naar zaden, wormen, aas en larven zoals emelten. Net als meeuwen lopen ze ook graag achter een trekker aan als de grond wordt omgewoeld, waarbij bodeminsecten naar het oppervlak worden gebracht en een makkelijke maaltijd vormen.

Zoals alle kraaiachtigen zijn roeken bovengemiddeld slim en kunnen ze snel aanpassen als er nieuw voedsel beschikbaar komt. Ook is bekend dat ze soms voedsel verstoppen in de herfst om later in de winter te kunnen gebruiken. Zeker in de winter trekken ze graag samen op met kauwen en zwarte kraaien, dus als je wat langer naar een dergelijke groep kijkt, kun je ze ook goed met elkaar vergelijken.

Tekst: Jari Kampjes
Foto: Ron Goosselink